De waarnemingen van vier Texelse telposten zijn op trektellen.nl terug te vinden, zie:

----------

Wadvogeltellingen (coördinatie Cor Smit)

Monitoring van wad- en watervogels: 28 jaren tellen op Texel

De geschiedenis: sinds wanneer en hoe

De eerste telling waarbij werd geprobeerd om de hele Nederlandse Waddenzee binnen enkele dagen te tellen dateert van 1963. Tijdens deze telling deed ook Texel mee, zij het met een vrij kleine bezetting van 7 personen (van Orden et al. 1964). In de daaropvolgende jaren werden dit soort tellingen herhaald, waarbij de frequentie in de tweede helft van de jaren ’70 steeds groter werd. Op die manier kwamen van verschillende maanden van het jaar gegevens van Texel beschikbaar maar deze opzet leverde geen compleet beeld op van de aanwezige aantallen in alle maanden van het jaar. De tellingen werden vooral in januari
uitgevoerd, in sommige jaren aangevuld met een telling in een andere maand. Tijdens deze tellingen werden op Texel alleen de meest vogelrijke delen van het eiland geïnventariseerd. De verder van het wad gelegen polders werden niet in de telling meegenomen. Hierdoor kunnen groepen binnendijks overtijende wadvogels over het hoofd zijn gezien. Maar ook een deel van de binnendijks foeragerende ganzen, steltlopers en meeuwen is tijdens deze tellingen gemist.

Vanaf januari 1980 is geprobeerd in twee leemtes te voorzien: die van de ontbrekende maanden en die van de incomplete dekking. In 1980 en 1981 is geprobeerd om in alle maanden van het jaar tellingen uit te voeren waarbij ook nog eens het hele eiland werd afgezocht. Vanaf 1982 werd de telfrequentie verminderd en werd meegedraaid in het schema van de integrale tellingen van de Nederlandse Waddenzee. Deze werden in die tijd gecoördineerd door Piet Zegers, vanaf 1992 door
SOVON. Doordat vanaf 1980 alle binnendijkse polders en plassen zijn meegenomen werd tegelijk een overzicht verkregen van de aantallen pleisterende weidevogels (waaronder Kievit, Goudplevier, Kemphaan), van de in de weilanden foeragerende wadvogels en van de binnendijks aanwezige futen, eenden, zwanen en ganzen.

De techniek van het tellen van wadvogels is simpel: de tellingen worden uitgevoerd tijdens hoog water wanneer alle vogels die op het wad voedsel zoeken zich langs de randen van de Waddenzee hebben verzameld. Door deze gebieden met een groot aantal tellers gelijktijdig te tellen worden in principe alle vogels geteld en wordt de kans op uitwisseling tussen deelgebieden sterk verkleind. Uitwisseling kan echter nooit helemaal worden uitgesloten.

De nieuwe serie tellingen kende een moeizame start. In januari 1980 woei er een ijzige, harde oosten wind waardoor het buiten zeer onaangenaam was en de waterstand sterk achterbleef bij de verwachtingen. Tijdens de daarop volgende 2 tellingen was er in beide gevallen sprake van hardnekkige dichte mist. Daarna ging het gelukkig beter en kon eindelijk worden gerapporteerd over een reeks tellingen die wel waren gelukt. Inmiddels zijn er 123 tellingen uitgevoerd, waarbij steeds kon worden beschikt over een trouw team van waarnemers die nog steeds bereid zijn om er 4-6 keer per jaar op uit te gaan. De Texelse wad- en watervogeltellingen
“nieuwe stijl” gingen in 2007 hun 28e seizoen in. Daarmee zijn de tellingen dus ouder dan de Vogelwerkgroep zelf. Niet vreemd, want de Vogelwerkgroep is in 1982 ontstaan uit de “harde kern” van de wadvogeltellers.

De data waarop in de afgelopen jaren tellingen zijn uitgevoerd zijn samengevat in Tabel 1. In deze tabel zijn ook de hoogwaterstanden in Oudeschild tijdens deze tellingen weergegeven. Uit de tabel blijkt dat we in januari nogal eens te kampen hebben gehad met lage waterstanden. Bij deze tellingen bestaat dus het risico dat van een aantal soorten er vogels op de wadplaten zijn achtergebleven en dat de getelde aantallen voor deze soorten geen compleet beeld geven van het werkelijk in de omgeving van Texel aanwezige aantal. Deze tellingen zijn in de tabel vet gemerkt. Maar ook mist en zware regenval hebben enkele
tellingen letterlijk in de mist doen gaan. In totaal gaat het om 4 van de 123 uitgevoerde tellingen. Wanneer er ijs ligt in de Waddenzee gaat dat vaak gepaard met oosten wind, waardoor de waterstanden vaak laag zijn. Onder dergelijke omstandigheden kunnen zich ook groepen vogels op ijsschotsen in de Waddenzee verzamelen, waardoor vogels ook buiten bereik van tellers blijven. De winters van 1979/80, 1981/82, 1985/86, 1995/96, 1996/97, 2001/01 en 2002/03 waren alle koud (met meer dan 20 vorstdagen in Den Helder, d.w.z. dagen waarop de minimumtemperatuur in Den Helder onder nul is geweest. Maar alleen in de
winters van 1981/82, 1983/84, 1984/85 en 1996/97 is er sprake geweest van ijsvorming op de Waddenzee, waardoor er vraagtekens bij de resultaten van sommige soorten moeten worden gezet. De meeste van deze gegevens zijn overigens wel meegenomen in de uitwerkingen.

In de loop van de jaren ’90 werden we geconfronteerd met het feit dat de Hengst, een wadplaat oostelijk van Texel steeds hoger werd en dat daar steeds vaker groepen vogels bleven overtijen. Om deze reden is geprobeerd om, aanvullend op de tellingen op Texel, ook deze plaat te bezoeken en de er aanwezige vogels te tellen. Daarvoor is een bootje nodig. Hiermee wordt vanaf het haventje van De Cocksdorp naar de plaat gevaren. Voor deze aanvullende tellingen wordt sinds 2001 een beroep gedaan op medewerkers van Alterra, nu IMARES.

Resultaten: voor welke soorten is Texel belangrijk?

Wanneer we de resultaten van de tellingen op Texel leggen naast de totaalresultaten van de Nederlandse Waddenzee blijkt dat er van verschillende soorten relatief hoge aantallen op Texel aanwezig zijn. Bekijken we de situatie in januari dan valt op dat Kokmeeuw (26% van het totaal in de Nederlandse Waddenzee), Stormmeeuw (20%), Zilvermeeuw (12%) en Grote Mantelmeeuw (17%) veel voorkomen. Ook de Smient (met 29% van het Wadden-Tabel 1. Data waarin op Texel in de afgelopen jaren wad- en watervogeltellingen zijn georganiseerd. In de tabel zijn de datum en de hoogwaterstand in Oudeschild opgenomen (gegevens:
Rijkswaterstaat, BasisInfoDesk). Tellingen met een waterstand lager dan 50 cm boven NAP zijn vet weergegeven. Grijs gemerkte vakjes duiden op een telling met mist. Aanvullend werd drie keer een telling van Goudplevieren, Kieviten en Wulpen georganiseerd (deze maanden zijn gemerkt met GPL). Naast de wadvogeltellingen zijn sinds 1985 in de maanden september t.m. april tellingen van ganzen en Kleine Zwanen uitgevoerd.

zee-totaal) is naar verhouding talrijk. Steltlopers zijn op Texel ondervertegenwoordigd. In de winter is slechts 9% van het aantal Wulpen op Texel aanwezig, 6% van het aantal Scholeksters en 5% van het aantal Zilverplevieren. Deze lage percentages worden veroorzaakt door het, in vergelijking tot andere waddeneilanden, geringe areaal wadplaten dat aan de oostkant van Texel aanwezig is. Bovendien hebben deze wadplaten een zandig karakter waardoor liefhebbers van slikkig wad schaars zijn. Gemiddeld herbergt Texel in januari zo’n 11% van het totaal aantal wad- en watervogels van de Nederlandse Waddenzee,
maar in strenge winters kan de situatie heel anders liggen. Onder dergelijke omstandigheden kan het percentage stijgen tot ver boven de 20%. Dat was onder andere het geval in de strenge winters in het midden van de jaren ’80. In januari 1987 was zelfs bijna 30% van het totaal aantal vogels uit de Waddenzee op Texel aanwezig. De westelijke Waddenzee, en dan vooral Texel en het Balgzand, kent minder strenge winters dan de verder oostelijk gelegen delen. Bovendien zijn bij zware ijsvorming hier vaak nog wel wat stukken open water en wad aanwezig omdat bij elk hoogwater via het Marsdiep, het grootste zeegat van de
Waddenzee, grote hoeveelheden warmer Noordzeewater het gebied binnenstromen.

Resultaten: opmerkelijke ontwikkelingen bij enkele soorten

Wadvogeltellingen worden uitgevoerd om in beeld te krijgen welke gebieden voor bepaalde soorten belangrijk zijn. Ze vormen als het ware de wetenschappelijke munitie waarmee natuurbeschermers kunnen hard maken dat belangrijke gebieden een goede bescherming krijgen. Veranderingen in aantallen in de loop van de tijd kunnen erop wijzen dat er zaken goed of fout gaan. Dergelijke veranderingen kunnen aanleiding zijn voor onderzoek naar de achtergrond van deze veranderingen. Waarna er wellicht maatregelen moeten worden genomen om een negatieve ontwikkeling te stoppen. Een mooi voorbeeld hiervan vormen de achteruitgang van de Scholekster en de Eidereend, die een belangrijke rol hebben gespeeld in het uit de Waddenzee verbannen van de mechanische kokkelvisserij. Lokale aantalsveranderingen hoeven nog geen reden voor zorg te zijn, zeker niet in een gebied waarin vogels uitwijkmogelijkheden hebben naar andere gebieden. Wanneer een afname van een bepaalde soort echter in een groter gebied wordt vastgesteld verdient een dergelijke afname nader onderzoek. Zien we ook
dergelijke veranderingen op Texel? De tellingen laten de volgende ontwikkelingen zien:

Aalscholver

De Aalscholver is een soort waarvan de aantallen in de jaren ’80 nog erg laag waren maar die zich in de loop van de laatste 20 jaren sterk heeft uitgebreid (veel nieuwe kolonies) en waarvan ook de aantallen sterk zijn toegenomen. De grafiek van deze soort laat deze toename duidelijk zien. In alle maanden zijn de gemiddelde aantallen in de jaren 1980-1990 (grijs) aanzienlijk lager dan in de jaren 1991-2006 (zwart). Ook de aantallen in de wintermaanden zijn toegenomen maar uit de figuur blijkt heel duidelijk dat de Aalscholver zeker nog niet tot de algemene overwinteraars is gaan behoren.

Grauwe Gans

De Grauwe Gans is het schoolvoorbeeld van een soort die explosief in aantal is toegenomen en het aantalsverloop, dat in dit geval is gebaseerd op tellingen in januari, laat mooi zien dat het vooral na 1998 hard is gegaan. Met als uitschieters de resultaten van de tellingen in 2004 en 2007. De toename die we op Texel zien
is een kopie van de toename die op andere plaatsen in west Nederland is vastgesteld (zie van Roomen et al. 2006) maar wijkt duidelijk af van de toename in noord Nederland. Het verschil tussen deze twee trends is dat in noord Nederland de Grauwe Gans al in de jaren ’80 duidelijk begon toe te nemen, maar dat
deze toename minder explosief verliep in west Nederland. De ontwikkeling van het aantal Grauwe Ganzen op Texel is dan ook geen typisch Texels maar een regionaal verschijnsel.

Bergeend

De tellingen van de Bergeend in januari laten afnemende aantallen zien in de jaren 1980-1996 maar het beeld wordt vertroebeld door de lage aantallen die in jaren met strenge koude zijn geteld (hoewel niet alle strenge winters lage aantallen opleveren). De afname van de Bergeend beperkt zich echter niet tot de echte wintermaanden. Wanneer we de gemiddelde aantallen per maand in de jaren 1980-1990 vergelijken met die uit de jaren 1991-2006 blijken in dit tweede tijdvak in alle maanden van oktober t.m. februari aanzienlijk lagere aantallen op Texel aanwezig te zijn. In sommige maanden is zelfs sprake van een halvering. Uit de hieronder weergegeven figuur blijkt dat er sinds eind jaren ’90 weer een lichte stijging van de aantallen kan worden vastgesteld.

In de Nederlandse Waddenzee zien we dit beeld niet terug. Ook hier zien we lagere aantallen in het tweede deel van de jaren ’90 maar de aantallen Bergeenden in de jaren daarna zijn duidelijk hoger dan de aantallen uit de jaren ’80. Bergeenden zijn voor hun voedsel sterk afhankelijk van kleine schelpdieren. We weten dat het Nonnetje (Macoma balthica) in de afgelopen jaren in de westelijke Waddenzee sterk in aantal is afgenomen (Piersma mond. med.). Maar of deze afname een goede verklaring is voor de afname van de Bergeend op Texel is voorlopig nog niet duidelijk.

Smient

In tegenstelling tot de meeste ganzensoorten zijn de aantallen Smienten op Texel vrij stabiel. Onderstaande figuur, waarin de aantallen in januari zijn weergegeven, laat dit mooi zien. Er lijkt zelfs sprake te zijn van een toename in de jaren ’80 tot midden jaren ’90, gevolgd door een afname. Het beeld wordt enigszins vertekend door de lage aantallen in de koude winter van 1981-82. Uit de telresultaten blijkt echter ook dat Smienten zich in andere koude winters niet door vorst laten wegjagen. Bladerend in de inmiddels vergeelde telverslagen uit het begin van de jaren ’80 lees ik echter dat er in januari 1982 meer aan de hand was dan
alleen vorst tot -10oC. Er was bovendien sprake van veel sneeuw en het lijkt een logische gedachte dat een graseter als de Smient onder dergelijke omstandigheden weg trekt. Zo simpel is het echter niet: ook in januari 1985 lag er 10-30 cm sneeuw en toen waren de Smienten er nog wel. Weliswaar allemaal geconcentreerd in één grote groep in Waal en Burg, maar ook deze vogels zullen ergens wat hebben moeten kunnen eten. Vorst blijkt ook tot hoge aantallen te kunnen leiden. In januari 1986 was het enkele dagen voor de telling gaan vriezen (en sneeuwen!) en dat leverde een recordaantal van ruim 26.000 Smienten op.
Waarschijnlijk waren dit vogels die kort voor de telling uit het oosten waren gearriveerd.

Het aantalsverloop van de Smient in de Nederlandse Waddenzee (van Roomen et al. 2006) gaat wat verder terug dan 1980. Hier zien we de aantallen dalen van midden jaren ’70 tot midden jaren ’80 en daarna weer stijgen tot midden jaren ’90. Daarna volgt weer een afname. De op Texel getelde aantallen volgen dit patroon.

Scholekster

Ook de Scholekster is in de afgelopen jaren sterk achteruit gegaan. En ook nog eens in alle maanden van het jaar. Een vergelijking van de gemiddelde aantallen in de jaren 1980-1990 (grijs) met die uit de jaren 1991-2006 (zwart) laat zien dat de afname in januari en in de maanden april-juni eigenlijk nog wel meevalt. In andere maanden van het jaar, vooral in augustusnovember, is echter sprake van een halvering van de aantallen! Dit zijn maanden waarin naast de lokale broedvogels ook doortrekkers aanwezig zouden moeten zijn.

Wanneer we het aantalsverloop in sommige maanden meer in detail bekijken zien we dat in veel gevallen de afname van de Scholekster nog steeds doorzet en dat in sommige maanden nog steeds geen sprake is van een stabilisatie van de aantallen. Een treffend voorbeeld hiervan was de telling in september 2007, toen een voor deze maand absoluut laagterecord van iets meer dan 3000 Scholeksters op Texel werd vastgesteld. Ter vergelijking: tussen 1980 en 1990 waren in deze maand gemiddeld 13.000 Scholeksters aanwezig.

Rosse Grutto

De Rosse Grutto is vooral talrijk in mei en aanzienlijk minder talrijk in andere maanden van het jaar. Uit de hieronder weergegeven figuur blijkt dat de soort, met uitzondering van juli, in alle maanden van het jaar sterk in aantal is achteruit gegaan. Omdat uit andere telgebieden in de Nederlandse Waddenzee geen afname wordt gemeld en op de wadplaten aan de oostkant van Texel nog steeds grote aantallen Rosse Grutto’s aanwezig zijn lijkt het erop dat er tegenwoordig vooral veel minder op de Schorren wordt overtijt. De soort lijkt te zijn uitgeweken naar de Vliehors waar tegenwoordig wel grote groepen tijdens hoogwater aanwezig zijn.
In de jaren ’70 zijn de Bonte Strandloper en de Kanoet, soorten die vroeger ook in hoge aantallen op de Schorren overtijden, de Rosse Grutto voorgegaan. De oorzaak van deze achteruitgang is onduidelijk: zijn de Schorren minder geschikt geworden door, bijvoorbeeld, een te hoge vegetatie of zijn andere delen van de Waddenzee juist aantrekkelijker geworden?

In de jaren ’80 waren in mei vaak grote groepen in de Texelse weilanden aanwezig. De figuur en de aantallen die vroeger en nu in de binnendijkse graslanden worden geteld laten zien dat dit tegenwoordig ook minder vaak voorkomt. Terwijl in de jaren 1980- 1995 vaak 10.000-15.000 Rosse Grutto’s in mei op Texel aanwezig waren blijven de aantallen de laatste jaren steken op 5000-10.000. Ook deze afname zien we elders in de Waddenzee niet terug.

Wulp

De Wulp is een soort waarvan de aantallen in de afgelopen jaren maar weinig zijn veranderd. Met uitzondering van de aantallen in januari wel te verstaan: deze nemen in de loop van de jaren geleidelijk aan toe van 3000-7000 in de jaren 1980-1990 naar 8000-10.000 in 1999-2006. Ook op Schiermonnikoog nemen de aantallen niet duidelijk toe (Stuurgroep Avifauna Schiermonnikoog 2005) maar elders in de Waddenzee laat de Wulp wel een geleidelijke toename zien (van Roomen et al. 2006). Het is onduidelijk waarom Texel en Schier een ander beeld laten zien dan andere delen van de Waddenzee.

Kokmeeuw

De Kokmeeuw was in de jaren ’80 een algemene broedvogel op de Schorren. Dat leverde bij de meeste tellingen in het voorjaar zo’n 15.000-20.000 vogels op. Met het verdwijnen van de soort als broedvogel in dit gebied zien we ook de totale aantallen voor Texel in de voorjaarsmaanden sterk teruglopen. Tegenwoordig moeten we het doen met de broedvogels die aanwezig zijn in hetWagejot, Dijkmanshuizen, Ottersaat, de Molenkolk en de Petten. In de andere maanden zien we nauwelijks verschillen tussen de gemiddelde aantallen uit de jaren 1980-1990 en uit de jaren 1991-2006.

Epiloog

In dit overzicht zijn alleen enkele opmerkelijke toe- en afnames besproken. Andere soorten waren ook interessant geweest, zoals de Rotgans. Deze is hier niet meegenomen omdat elders in dit nummer al uitgebreid op deze soort wordt ingegaan. In vorige Skorren zijn een aantal soorten al meer uitgebreid besproken. Het is de bedoeling dat deze serie in komende nummers wordt voortgezet.

De voorbeelden die in deze bijdrage zijn voorbij gekomen laten zien dat het Texelse wadvogelwereldje een dynamisch gebeuren is. Niet alleen zijn er grote verschillen in de aantallen in de loop van het jaar, sommige soorten laten ook opmerkelijke trends zien. Deze trends maken duidelijk dat de bescherming van de Waddenzee en de ontwikkeling van de aantallen in dat gebied lang niet altijd een succesverhaal is. En dat komt niet alleen omdat de aantallen van allerlei soorten voor een deel in de broedgebieden of in overwinteringsgebieden in Afrika worden bepaald. De achteruitgang van de Scholekster is daarbij het meest sprekende voorbeeld. Als broedvogel heeft de Scholekster in Nederland behoorlijke klappen gekregen, ook op Texel. Maar dat ook de aantallen overwinteraars hier sterk achterblijven bij vroeger is natuurlijk niet verwonderlijk: er al 15-20 jaren vrijwel geen droogvallende mosselbanken in de westelijke Waddenzee aanwezig en dat waren vroeger toch erg belangrijke voedselgebieden.

De gegevens laten vooral zien dat het erg nuttig is dat de Texelse wadvogeltellers door middel van de 4-6 tellingen per jaar een vinger aan de pols van de Waddenzee houden. Om op tijd te kunnen signaleren dat er zaken fout gaan en alarm te kunnen slaan. Daarnaast is het gewoon spannend om de aantalsveranderingen van soorten in de loop van de jaren te volgen. Hoe ontwikkelt zich, bijvoorbeeld, de toename van nieuwkomers als de Nijlgans en de Kleine Zilverreiger? Tegelijk moeten we ook constateren dat we op veel vragen naar het waarom van de aantalsveranderingen geen goed antwoord hebben. Daarvoor is aanvullend ecologisch onderzoek nodig.

Geraadpleegde literatuur

Cor Smit

 

 

Ganzen- en zwanentellingen (coördinatie Martin de Jong)

  • Ganzen -en zwanentellingen 2003
  • Ganzen- en zwanentellingen 2004
  • Ganzen- en zwanentellingen 2005

  • (laatste wijziging 16-01-2006)

    Vondsten NZG/NSO (coördinatie Kees Camphuysen)

  • 1976 - 1980 (49 kB)
  • 1981 - 1990 (81 kB)
  • 1991 - 2000 + totaal (87 kB).
  • Actuele info